Explore
Online premiere of Dismantled: A Scientific Deconstruction of the Theory of Evolution
Watch for free here!
Also Available in:

‘Hoe weten we dat evolutie echt plaatsheeft?’

Een Bijbelse (‘jonge aarde') creationist reageert op de BBC over Evolutie

door
vertaald door Nathan van Ree

Gepubliceerd: 1 oktober 2015 (GMT+10)

12160-equivocation-cartoon-dutch
Veel mensen denken verschillend over de betekenis van het woord ‘evolutie’. We moeten onze terminologie duidelijk definiëren om de conflicterende beweringen binnen het oorsprongsconflict te begrijpen.

Onder het kopje The Big Questions staat op de website van de BBC een artikel met bovenstaande titel, geschreven door Chris Baraniuk, een freelance wetenschaps- en technologiejournalist.1 Zijn tekst is afgedrukt in het rood (met vetgedrukte tekst uit het origineel), afgewisseld door mijn reactie per punt.

Het idee dat soorten langzaam veranderen over vele generaties is de hoeksteen van de biologie. Dit is hoe wij weten dat het zo is. Evolutie is een van de meest geweldige theorieën binnen de gehele wetenschap. Het verklaart het leven: in het bijzonder hoe uit de eerste eenvoudige levensvorm de enorme diversiteit van vandaag de dag is ontstaan, van bacteriën tot eiken tot blauwe vinvissen.

Een hoogdravende bewering. Maar wat is het bewijs? Alle wetenschappelijke beweringen moeten slechts op basis van het bewijs ervoor worden beoordeeld. Kan het worden getest? Kan het worden herhaald? Kan het worden gefalsificeerd? Het is niet eenvoudigweg waar omdat iemand dat zegt, wie dat dan ook is.

Voor wetenschappers is evolutie een feit. We weten dat het leven is geëvolueerd met dezelfde zekerheid als waarmee we weten dat de aarde bolvormig is, dat de zwaartekracht ervoor zorgt dat we erop blijven en dat wespen bij een picknick hinderlijk zijn.

Nee, wetenschappers doen aannames, zie hier. Deze bewering moet worden gekwalificeerd. Hij impliceert alle wetenschappers, maar een uitgesproken minderheid is het er niet mee eens. De geschiedenis van de wetenschap staat bol van de voorbeelden waarin de meerderheid, zelfs een grote meerderheid, het uiteindelijk mis bleek te hebben gehad. Geen wetenschapper twijfelt aan het feit dat de aarde grofweg bolvormig is of dat de zwaartekracht ervoor zorgt dat we erop blijven. Deze zaken kunnen worden geverifieerd in het 'hier en nu'. Evolutie is daarentegen een theorie over wat er in het verleden gebeurd zou kunnen zijn, in het bijzonder het verre verleden. We kunnen niet naar het verleden reizen, dus we moeten beslissen wat we denken dat er gebeurd is en vervolgens de ondersteunende aannames ervan zo goed als we kunnen testen. Dit hangt onvermijdelijk voor een heel groot deel af van de wijze waarop we relevante feiten interpreteren. Mensen die in de Bijbelse schepping geloven zien dezelfde feiten die evolutionisten zien, maar interpreteren ze anders, ten gunste van het scheppingsmodel. Het fossielenbestand bewijst dat er wormen en dinosaurussen waren – niemand betwist dat –, maar niet alle wetenschappers zijn het ermee eens dat zij, of mensen in het algemeen, aan elkaar verwant zijn door afstamming van een gemeenschappelijke voorouder.

Niet dat je dat door de media te weten zou komen in sommige landen, waar fel geageerd wordt tegen evolutie – evolutie wordt neergezet als 'slechts een theorie' of weggewuifd als een regelrechte leugen.

Wellicht is dit het geval omdat het, nader beschouwd, het bewijs mist dat het nodig heeft om het te bewijzen! Maar zie: Argument: Evolutie is echte wetenschap, niet ‘slechts een theorie’. Helaas is er echt bewijs voor dat men onze kinderen leugens leert via de schoolcurricula en -boeken.

Waarom zijn biologen hier zo zeker van? Wat is het bewijs? Het korte antwoord is dat er zoveel is, dat het moeilijk is om te weten waar te beginnen. Maar hier volgt een zeer vluchtige opsomming van het bewijs dat het leven inderdaad is geëvolueerd.

Ehm… een significante minderheid van de biologen betwijfelt evolutie. De meerderheid is eenvoudigweg blind voor welke alternatieve verklaring dan ook vanuit ideologische gronden – zie hier en hier. Zelfs met 'zoveel' bewijs hangt de geldigheid van hun verklaring nog steeds sterk af van de wijze waarop ze dat bewijs interpreteren, om te beslissen wat het ons nu eigenlijk laat zien.

Het zou kunnen helpen eerst even snel uiteen te zetten wat Darwins evolutietheorie nu eigenlijk zegt. De meesten van ons hebben een algemeen beeld: soorten veranderen met de tijd, alleen de meest geschikte overleven en op de een of andere manier zijn de mensen ontstaan uit een aapachtig wezen.

Creationisten geloven ook dat soorten met de tijd veranderen, maar het leven beweegt zich eigenlijk in de tegengestelde richting van evolutie: God heeft op bovennatuurlijke wijze al het leven 'goed' gecreëerd, binnen onderscheidende 'soorten'; de feiten vanuit de biologie en de genetica weerleggen het idee dat gecreëerde soorten overbrugd zouden kunnen worden door middel van mutaties en natuurlijke selectie. Verre van dat het evolueert, degenereert het leven in feite en hiervoor is degelijk experimenteel bewijs – zie hier. Maar hoe doorstaat dit bewijs de concurrerende theorieën? (Vanaf dit punt gebruik ik de term 'evolutie' als volgt: genetische veranderingen die specifiek coderen voor nieuwe eiwitten, nieuw weefsel en nieuwe organen; met andere woorden niet eenvoudigweg 'verandering', maar iets dat 'grotere complexiteit voortbrengt'.)

Darwins evolutietheorie leert dat ieder nieuw organisme subtiel onderscheid vertoont ten opzichte van zijn ouders en dat deze verschillen het nageslacht soms helpen of belemmeren. Aangezien organismen concurreren om voedsel en partners, produceren die met voordelige eigenschappen meer nageslacht, terwijl degene met onvoordelige eigenschappen misschien geen nageslacht voortbrengen. Dus binnen een bepaalde populatie komen voordelige eigenschappen steeds meer voor en verdwijnen onvoordelige eigenschappen.

Hier staat niets waar creationisten het in het bijzonder mee oneens zouden zijn. Bepaalde eigenschappen helpen organismen beter gedijen in sommige milieus dan andere, dus organismen met deze eigenschappen zullen eerder welvaren dan die zonder deze eigenschappen. Dit is natuurlijke selectie; maar het is geen evolutie.

Gegeven voldoende tijd, stapelen deze veranderingen zich op en leiden ze tot de verschijning van nieuwe soorten en nieuwe soorten organismen, één kleine verandering per keer. Stap voor stap werden wormen vissen, kwamen vissen aan land en ontwikkelden ze vier poten, kregen deze vierpotige dieren haar en – uiteindelijk – begonnen sommige ervan op twee benen te lopen, noemden ze zichzelf "mensen" en ontdekten ze evolutie.

Dit is het punt waarop de feiten worden losgelaten en de fantasie de vrije loop wordt gelaten. Niemand betwist dat organismen met elke generatie veranderen. Echter, zonder een mechanisme om constant nieuwe eiwitten, nieuw weefsel, nieuwe organen en nieuwe organismen te genereren gedurende vele generaties, vormen de grenzen van verandering een barrière voor evolutie – zie hier. En hoe we precies een nieuwe soort definiëren is belangrijk om te begrijpen.

Het kan moeilijk zijn dit te geloven. Je realiseren dat je niet identiek bent aan je ouders is één ding: wellicht heeft je haar een andere kleur, ben je langer of ben je van nature vrolijker. Maar het is veel moeilijker te accepteren dat je, via ontelbare generaties, afstamt van een worm.

Inderdaad moeilijk te geloven – voor een Bijbelse creationist is het onmogelijk te geloven, niet in de laatste plaats omdat er, bij nadere beschouwing, geen echt bewijs is om het te onderbouwen. Het is aan degenen die deze boude uitspraken doen om evolutie experimenteel te bewijzen – of, in het minste geval, te voorzien in een volgorde van stappen waarop het voorstelbaar is dat het plaats zou kunnen hebben, binnen hun eigen tijdsbestek van miljoenen jaren. In feite kent het idee dat mensen afstammen van een lage levensvorm onoverkomelijke wetenschappelijke barrières, zoals het probleem van genetische entropie.

Er zijn genoeg mensen die dit zeker niet aannemen. Maar vergeet voor even alle dramatiek. Begin in plaats daarvan zoals Charles Darwin begon: dicht bij huis.
Darwins boek On the Origin of Species, voor het eerst uitgegeven in 1859, begint door de lezer te vragen om zich heen te kijken naar het bekende. Geen onverkende tropische eilanden of verre oerwouden, maar het erf en de tuin. Daar kun je makkelijk zien dat organismen hun eigenschappen overdragen aan hun nageslacht, waarmee de aard van dat organisme na verloop van tijd verandert.

We kunnen het eens zijn met een gedeelte hiervan, maar niet met alles. Ja, organismen geven hun eigenschappen door aan hun nageslacht. Echter, een beetje denkwerk toont aan dat dit, zonder de introductie van nieuwigheid, er slechts voor zou zorgen dat nageslacht dezelfde basiseigenschappen heeft als zijn ouders. Het is duidelijk dat er iets moet worden toegevoegd om de eigenschappen van een organisme met de tijd te veranderen.

Darwin haalde het proces van cultivering en fokken naar voren. Generaties lang hebben boeren en tuinders doelbewust dieren gefokt om ze groter en sterker te laten worden, en planten om ze meer oogst te laten voortbrengen.

Dit noemen we kunstmatige selectie (menselijke exploitatie van variatie veroorzakende mechanismen; verwant aan natuurlijke selectie) en dit is niet iets waar creationisten het mee oneens zouden zijn. Basaal begrip van genetica staat variatie onder nageslacht toe, maar dit kent zijn grenzen, zoals Darwin wist vanuit het duiven melken, en iedereen die bekend is met het fokken van dieren ontdekt dat dit waar is; bijvoorbeeld Honden fokken honden? Dat is geen evolutie.

Fokkers werken precies zoals Darwin zich voorstelde dat evolutie in zijn werk gaat. Stel dat je kippen wilt fokken die meer eieren leggen. Eerst moet je die kippen vinden die meer eieren leggen dan de andere. Dan moet je hun eieren uitbroeden en ervoor zorgen dat de kuikens zich voortplanten. Deze kuikens zullen ook meer eieren leggen.
Als je dit proces elke generatie herhaalt, krijg je uiteindelijk kippen die veel meer eieren leggen dan wilde kippen. Een kamhoender – het naast verwante wilde familielid van de gedomesticeerde kip – legt misschien dertig eieren per jaar, terwijl boerderijkippen zeker tien keer zoveel per jaar kunnen produceren.

Correct. Ter verduidelijking moet erop worden gewezen dat de tamme kip (Gallus gallus domesticus) een directe afstammeling is van de kamhoender (Gallus gallus). Kippen zijn simpelweg een ondersoort, één van dezelfde 'geschapen soort'. Dit houdt in dat hun genetische blauwdruk uniek is voor die soort, ondanks de enorme diversiteit die we zien tussen het wilde en het gedomesticeerde hoen.

Deze veranderingen van generatie tot generatie worden "afkomst met aanpassing" genoemd.
Een jong kuiken zal op vele manieren gelijk zijn aan zijn ouders: het zal duidelijk een kip zijn en zeker geen aardvarken, en het zal waarschijnlijk meer gelijk zijn aan zijn ouders dan aan andere kippen. Maar het zal niet identiek zijn.

Mee eens. Maar het is nog steeds 100 procent een kip – het heeft de genetische blauwdruk van een kamhoender, waarvan het afstamt.

"Dat is wat evolutie is," zegt Steve Jones van University College London in het Verenigd Koninkrijk. "Het is een reeks fouten die cumuleren."

Jones voegt hier (samen met Baraniuk) twee aparte zaken samen: 1) natuurlijke selectie (of, in het geval van kippen, kunstmatige selectie) die bepaalde eigenschappen in de genetische samenstelling naar voren haalt die eerder misschien minder duidelijk aanwezig waren of zelfs inactief ('uitgeschakeld') waren; en 2) mutaties, de kopieerfouten in het DNA die het onvermijdelijke resultaat zijn van de overdracht van grote hoeveelheden informatie van de ene generatie aan de volgende; hoewel er ontworpen DNA-reparatiemechanismen zijn die de meerderheid van de kopieerfouten corrigeren.

U denkt wellicht dat fokken slechts enkele veranderingen teweeg kan brengen, maar er lijken geen grenzen aan te zijn. "Er is geen geval bekend van een variabele die ophoudt te kunnen variëren onder cultivatie," schreef Darwin. "Onze oudste gecultiveerde planten, zoals tarwe, brengen vaak nog steeds nieuwe varianten voort: onze oudste gedomesticeerde dieren zijn nog steeds in staat tot snelle verbetering of modificatie."

Dit is slechts een weerspiegeling van de genetische diversiteit die aanwezig is binnen de populatie van die planten- of dierensoort. Er is een bereik van verbazingwekkende variaties (net zoals, uitgezonderd identieke tweelingen, geen twee mensen identiek zijn aan elkaar), maar strikt binnen de grenzen die duidelijk door de genetische code van dat soort wezen zijn aangegeven. Tarwe blijft een grassoort. Kippen zullen altijd een tamme variant zijn van de kamhoender. Er is geen wetenschappelijke grond om hiervandaan te extrapoleren en voor te stellen dat zij na verloop van tijd in een compleet nieuw dier zouden kunnen veranderen.

Fokken, beredeneerde Darwin, is in wezen evolutie onder menselijke supervisie. Het laat ons zien dat kleine veranderingen van generatie tot generatie kunnen cumuleren. "Het is onvermijdelijk," zegt Jones. "Het kan niet anders dan dat het gebeurt."

Fokken, of kunstmatige selectie, is niets meer dan de werking van het principe van natuurlijke selectie, maar onder geplande menselijke inmenging. Het is zeker niet evolutie van het soort dat wordt gesuggereerd door Darwin, Baraniuk of Jones, waarin naar men beweert echt nieuwe informatie (gespecificeerde complexiteit) die in beginsel niet aanwezig was, wordt toegevoegd aan de populatie.

Toch is het nog steeds een hele stap van het zorgvuldig fokken van kippen die meer eieren leggen naar de natuurlijke evolutie van nieuwe soorten. Volgens de evolutietheorie stammen die kippen uiteindelijk af van de dinosaurussen en, als je verder teruggaat, van de vissen.

Hier zie je de lokaastactiek, zo geliefd bij degenen die evolutie populariseren. Nogmaals, het is van belang om termen zorgvuldig te definiëren en geen verreikende aannames te doen – extrapolerend voorbij wat empirisch kan worden gedemonstreerd. Creationisten ontkennen niet dat een 'nieuwe soort' kan ontstaan (soortvorming), hoewel evolutionisten er vaak niet in slagen te definiëren wat ze precies bedoelen met een soort. Biologen hebben verscheidene manieren geïdentificeerd waarop dit plaats kan hebben, zoals hier besproken. Maar dat heeft helemaal niets te maken met nieuwe informatie van het soort dat benodigd is om aparte, nieuwe soorten te produceren, bijvoorbeeld van vissen naar dinosaurussen of van dinosaurussen naar kippen.

Het antwoord is eenvoudigweg dat evolutie een lange tijd nodig heeft om grote veranderingen teweeg te brengen. Om hiervoor bewijs te zien, moet je naar oudere vastgelegde feiten kijken. Je moet naar de fossielen kijken.

Aangezien evolutionisten geen directe aanwijzingen of bewijs hebben voor deze invoer van significante nieuwe informatie in levende populaties, moeten ze aannemen dat het heel, heel langzaam gebeurt, gedurende miljoenen jaren. Het is een verschuiving naar 'bij voldoende tijd kan alles gebeuren', dus ze zijn gedwongen te zoeken naar indirect 'bewijs' dat dit echt is gebeurd. Hun voornaamste appel is gewoonlijk het fossielenbestand. Maar ondanks wat ze beweren, zijn er allerlei soorten problemen met het idee dat fossielen bewijs vormen voor evolutie. Het komt er echt op aan hoe ze het fossielenbestand interpreteren.

Fossielen zijn de overblijfselen van lang geleden overleden organismen, bewaard in vast gesteente. Omdat gesteente laagsgewijs wordt gevormd, de ene laag bovenop de andere, wordt het fossielenbestand over het algemeen verklaard als volgorde van tijd: de oudste fossielen bevinden zich onderin.

Of, waarschijnlijker, komt het door een catastrofale gebeurtenis, die in feite benodigd is voor de voortreffelijke mate van bewaring die we vaak waarnemen in fossielen (zie ook hier), om maar te zwijgen van de ontdekking van zacht weefsel in fossielen. De bijna-fossielen en lagen worden doorgaans snel na elkaar 'gesorteerd' en opgestapeld in overeenstemming met hun formaat en dichtheid door snelle geologische bodemverheffingen en -omwentelingen en overstroming (catastrofemodel) en/of globale continentbrede terugloop van vloedwater, waarvoor overvloedig bewijs is (zie bijvoorbeeld hier en hier) – waarvoor de wereldwijde zondvloed uit Genesis de voor de hand liggende kandidaat is. De gebeurtenissen die volgden op de catastrofale uitbarsting van Mount St. Helens in 1980 voorzagen in het 'levende bewijs' dat laagvorming erg snel kan plaatshebben, in dagen, of zelfs uren, niet miljoenen jaren; zie hier.

Het doornemen van het fossielenbestand maakt duidelijk dat het leven gedurende de tijd veranderd is.

In tegendeel, het leven is relatief weinig veranderd. Wat we uit het fossielenbestand kunnen opmaken is bewijs voor enorme biologische diversiteit en voor massale begrafenis van zowel dierlijk als plantaardig leven, slachtoffers van een wereldwijde catastrofale gebeurtenis. Veel hiervan is uitgestorven. Maar er zijn ook voorbeelden van 'levende fossielen' – zie hier –, levende tegenhangers van planten en dieren die naar men beweert miljoenen of zelfs miljarden jaren geleden zijn gefossiliseerd, maar die direct herkenbaar zijn aan hun opmerkelijke gelijkenis met 'oude' fossielen. Toch zijn, volgens evolutionisten, gedurende diezelfde periode sommige wormen, via ontelbare generaties en overgangen, geëvolueerd tot mensen.2 Andere takken van wormen zijn gewoon… wormen gebleven. Het feit dat er sprake is van ‘stasis’ (evenwicht), de onveranderde aard van sommige fossielen gedurende evolutionaire diepe tijd terwijl andere onherkenbaar veranderd (geëvolueerd) zouden zijn, is een enorm probleem, om maar niet te zeggen verlegenheid, voor evolutionisten.

De oudste fossielen van allemaal zijn de overblijfselen van eencellige organismen zoals bacteriën, terwijl meer complexe zaken als dieren en planten pas veel later verschijnen. Van de dierlijke fossielen verschijnen vissen veel eerder dan amfibieën, vogels of zoogdieren. Onze naaste verwanten zijn de apen, die alleen in de meest ondiepe – jongste – gesteenten worden gevonden.

Dit is een weerspiegeling van de hydrodynamische en geologische bodemverheffingen waar de snelle begrafenis en het snelle fossiliseren van deze verschillende wezens mee te maken hebben, samen met andere factoren, zoals de mogelijkheid, wellicht, van zoogdieren en vogels om naar hoger gelegen gebieden te ontsnappen te midden van het stijgende vloedwater; zie hier. Let er ook op dat rotslagen geen scheiding door 'miljoenen jaren' nodig hebben, maar gelijktijdig gevormd kunnen worden (zie boven). Evolutionisten 'dateren' rotsen op basis van de typerende fossielen die erin worden aangetroffen, en dateren fossielen op basis van de rotslagen waarin ze doorgaans gevonden worden – circulair redeneren!

“Ik denk altijd dat het meest overtuigende pleidooi voor evolutie het fossielenbestand is,” zegt Jones. “Het is opmerkelijk dat één op de zes pagina's in de Origin of Species met het fossielenbestand te maken heeft. [Darwin] wist dat dit een onweerlegbaar argument vormde voor het feit dat evolutie had plaatsgehad.”

Jones is hier oneerlijk of heeft last van selectief geheugenverlies. Darwin zelf was zich er terdege van bewust dat de in zijn tijd beschikbare overgangsfossielen, voorspeld door en vereist voor zijn theorie, opvallend afwezig waren – en dat zat hem enorm dwars: “Het aantal overgangssoorten dat bestaan heeft moet enorm zijn. Waarom zit dan niet elke geologische formatie vol met zulke tussenschakels? De geologie onthult zeker geen dergelijke fijne, graduele reeks; en dit is, wellicht, het grootste bezwaar dat tegen mijn theorie kan worden ingebracht.3 In plaats daarvan vestigde hij zijn hoop op toekomstige ontdekkingen, dat de zogenoemde 'ontbrekende schakels' door latere generaties zouden worden gevonden. Miljoenen fossielen later bestaan er veel minder zogenoemde 'ontbrekende schakels' dan waarop hij had gehoopt en de meeste hiervan worden vurig bediscussieerd; zie hier en hier. Bovendien is het grootste probleem voor evolutie dat Darwin zag in de fossielen, de zogenoemde ‘Cambrische explosie’, net zo onverklaarbaar voor evolutionisten als in de tijd van Darwin. Met het verstrijken van de tijd worden deze telkens weer aan de kaak gesteld, vaak door evolutionisten zelf, vanwege het gebrek aan consensus, zoals eerder gemeld – zie hier.

Door deze fossielen nauwgezet te onderzoeken zijn wetenschappers in staat geweest veel uitgestorven soorten te verbinden aan degene die vandaag de dag nog bestaan, soms daarmee aanduidend dat de ene afstamt van de andere.

Door overeenkomsten en verschillen vast te stellen tussen de diverse soorten fossielen die de wetenschap kent, categoriseren paleontologen fossielen in een hiërarchie van verschillende groeperingen en verbinden ze hieraan conclusies over hun verwantschap. Maar dit is vaak een subjectieve zaak (zoals dit voorbeeld laat zien). Vaak kunnen evolutionisten het zelf niet eens worden over wat aan wat verwant is, of welke overeenkomsten het meest relevant zijn. Sommige experts hebben bijvoorbeeld de neiging ‘splitsers’ te zijn (de neiging vertonend de schepping van nieuwe soorten te vermenigvuldigen) en andere zijn ‘klonteraars’ (die de neiging hebben veel fossielen binnen een soort te scharen, waarbij ze variatie ertussen toestaan). Creationisten geloven dat het veel voorkomen van een variëteit aan dezelfde eigenschappen bij verschillende soorten neerkomt op efficiënt ontwerp, een gemeenschappelijk kenmerk van deugdelijke fabricage en duidend op een gemeenschappelijke ontwerper – God. Het is een voorbeeld van hoe verschillende uitgangspunten tot zeer verschillende conclusies leiden.

In 2014 bijvoorbeeld, beschreven onderzoekers de fossielen van een 55 miljoen jaar oude carnivoor met de naam Dormaalocyon, die een gemeenschappelijke voorouder zou kunnen zijn van alle leeuwen, tijgers en beren van vandaag de dag. De vorm van de tanden van Dormaalocyon gaf dit prijs.

De beroemde Nebraska Man, een vermeende aapmens, was gebaseerd op de tand van wat later een uitgestorven varken bleek te zijn – zie hier –, dus het is verstandig voorzichtig te zijn met zulke beweringen en interpretaties; veel hiervan zijn later ontmaskerd (gewoonlijk met heel wat minder publiciteit dan hun oorspronkelijke aankondiging in de krantenkoppen). In het geval van Dormaalocyon waren ruimschoots voldoende tanden van deze soort opgegraven, maar weinig van de rest van het skelet – slechts een kaakfragment en een paar enkelbotten. Let op de subtiele insluiting van de woorden 'zou kunnen' in de bovenstaande verklaring van Baraniuk; dit geeft evolutionisten de flexibiliteit om op een later moment van gedachten te veranderen, aangezien de ervaring leert dat dit soort beweringen vaak eenvoudigweg de tand des tijds niet doorstaat. Aan dit 'sensationele' fossiel van een dier van een kilo is een flinke hoeveelheid evolutionaire publiciteit gegeven toen het in januari 2014 werd aangekondigd, maar het heeft sindsdien bijna geen aandacht meer getrokken.

Toch kan het zijn dat je nog steeds niet overtuigd bent. Deze dieren mogen dan allemaal gelijkvormige tanden hebben, maar leeuwen, tijgers en Dormaalocyons zijn nog steeds verschillende soorten. Hoe weten we nu echt dat de ene soort is geëvolueerd tot de andere?
Het fossielenbestand helpt hier maar ten dele, want het is onvolledig. “Als je de meeste fossielen bekijkt, is wat je feitelijk ziet dat één vorm voor een vrij lange tijd blijft en dat het volgende groepje fossielen wat je hebt vrij veel verschilt van wat je daarvoor had,” zegt Jones.

Een klein stukje terug werd Jones geciteerd toen hij zei dat het fossielenbestand het beste bewijs vormt voor evolutie. Nu geeft hij toe dat het incompleet is, aangezien hij moet veronderstellen dat er overgangsvormen waren tussen degene die gedurende lange tijd ongewijzigd bleven (dit wordt stasis genoemd) en degene die ‘plotseling’ verschijnen, die hiervan “vrij veel verschillen”! Dus waar zijn al de ‘ontbrekende schakels’, als evolutie waar is?

Maar aangezien we meer en meer restanten hebben opgegraven, is er een overvloed aan “overgangsfossielen” ontdekt. Deze “ontbrekende schakels” zijn tussenvormen tussen de bekende soorten.

Ach! Baraniuk heeft tot dusver de onprettige en niet ontkenbare waarheid toegegeven, zij het dat hij het slechte nieuws zo gematigd mogelijk heeft gebracht: het fossielenbestand is incompleet – zelfs ondanks de vele miljoenen nieuw ontdekte fossielen. Nu moet hij een soort speciale memorie gebruiken om ons ervan te overtuigen dat het niet echt zo incompleet is! Hij doet de boude uitspraak dat er in feite een overvloed aan ‘overgangsfossielen’ is. Als het Darwinisme waar zou zijn, opererend via onwaarneembare progressieve stappen, dan zou er een naadloze opeenvolging van overgangsfossielen moeten zijn. In feite zouden ze net zo alom aanwezig moeten zijn in het fossielenbestand als de ‘bekende soorten’, hun eigen ‘succesverhaal’ beschrijvend. Maar dat is eenvoudigweg niet wat we vinden. Of ze zijn geheel afwezig, of er is een handjevol betwiste overgangsfossielen die flinke sprongen vertonen in morfologie ten opzichte van hun vermeende fossiele voorvaderen.

Heel vaak zijn de restanten van de vermeende ontbrekende schakels fragmentarisch, soms zelfs in zeer ruime mate, zoals dit bekende voorbeeld aantoont. Vandaar dat een rijke fantasie hier erg goed van pas kan komen, maar ook vaak juist de reden is dat zulke ‘schakels’ vurig bediscussieerd worden onder evolutionisten zelf. Bovendien vormen sommige ‘tussenvormen’ die evolutionisten voorstellen in feite enorme sprongen naar evolutiebegrippen en bevestigen zij geenszins geleidelijkheid. De feiten weerleggen de evolutionaire interpretatie van het fossielenbestand en beweringen over ontbrekende schakels – voor meer, zie Volgorde in het fossielenbestand en De evolutionaire optocht van ‘ontbrekende schakels’.

Eerder zeiden we bijvoorbeeld dat kippen uiteindelijk afstammen van dinosaurussen. In 2000 beschreef een team, geleid door Xing Xu van de Chinese Academy of Sciences, een kleine dinosaurus genaamd Microraptor, die veren had die gelijk zijn aan die van moderne vogels en die misschien kon vliegen.

Voor een grondige beoordeling van dit fossiele schepsel, zie Nieuwe gevederde dinosaurus met vier vleugels?

Het is ook mogelijk de evolutie van een nieuwe soort te observeren terwijl het gebeurt.
In 2009 beschreven Peter en Rosemary Grant van Princeton University in New Jersey hoe een nieuwe vinkensoort ontstond op een van de Galapagoseilanden: dezelfde eilanden die door Darwin werden bezocht.
In 1981 arriveerde een enkele middelste grondvink op een eiland met de naam Daphne Major. Hij was ongewoon groot en zong een iets ander liedje dan de lokale vogels.
Hij slaagde erin zich voort te planten en zijn nageslacht erfde zijn ongewone eigenschappen. Na enkele generaties waren ze in een reproductief isolement geraakt: ze zagen er anders uit dan de andere vogels en zongen andere liedjes, zodat ze zich alleen onderling konden voortplanten. Deze kleine groep vogels had een nieuwe soort gevormd: ze waren "een nieuwe soort" geworden.

Deze feiten vormen geen probleem voor creationisten. Dit is een voorbeeld van natuurlijke selectie in werking. Darwins vinken vertonen een grote hoeveelheid variatie binnen een soort, maar uiteindelijk zijn het nog steeds vinken. De honden‘soort’ vertoont een vergelijkbare diversiteit in variatie. Poedels zien er heel anders uit dan wolven, maar zijn toch echt aan elkaar verwant op een wijze waarop honden en katten dat niet zijn.

Deze nieuwe soort vertoont maar een subtiel verschil met zijn voorvaderen: hun snavels zijn verschillend en ze zingen een ongebruikelijk liedje. Maar het is mogelijk uit te kijken naar indrukwekkendere veranderingen terwijl ze gebeuren.

De variëteit heeft niets te maken met evolutie 'van microbe naar mens'. Verschillende eigenschappen kunnen komen en gaan aan de hand van milieudruk en plaatselijke omstandigheden. Vinken met kleinere snavels kunnen plaats maken voor varianten met grotere snavels wanneer veranderende omgevingsfactoren (bijvoorbeeld de beschikbaarheid van andere soorten voedsel) de laatstgenoemde meer voordeel bieden. Dit is een voorbeeld van aanpassing door natuurlijke selectie, selecterend uit reeds bestaande en soms sluimerende genetische informatie. Omgevingsomstandigheden keren vervolgens weer terug en brengen een marginaal voordeel met zich mee voor vinken met een kleinere snavel. Deze aanpassing aan de omgeving zal echter nooit vinken in adelaars veranderen, zie hier, en gedurende langere tijdsperioden, als bepaalde populaties meer geïsoleerd raken, kunnen bepaalde eigenschappen definitief verloren raken door mutaties en genetische drift. Dit is volledig tegenovergesteld aan wat evolutie voorspelt.

Richard Lenski van Michigan State University leidt 's werelds langstlopende evolutie-experiment.

De beweringen dat dit experiment bewijs is voor evolutie zijn grondig ontmaskerd door creationisten – zie hier. De bewijslast ligt bij degenen die het experiment uitvoeren om aan te tonen dat er echt nieuwe informatie (gespecificeerde complexiteit) is gecreëerd. Dit krijgen ze niet voor elkaar.

Sinds 1988 volgt Lenski twaalf populaties van de bacterie Escherichia coli in zijn laboratorium. De bacteriën zijn aan hun lot overgelaten in opslagcontainers met voedingsstoffen om zich tegoed aan te doen en het team van Lenski bevriest regelmatig kleine proefmonsters.
De E. coli zijn niet langer hetzelfde als ze in 1988 waren. "In alle twaalf populaties zijn de bacteriën geëvolueerd om veel sneller te groeien dan hun voorganger," zegt Lenski. Ze hebben zich aangepast aan de specifieke mix chemicaliën die hij ze geeft.
"Het is een zeer directe demonstratie van Darwins idee van aanpassing door natuurlijke selectie. Nu, terwijl het experiment zo'n twintig jaar loopt, groeit de typische afkomst zo'n tachtig procent sneller dan de voorganger deed."

Zo hebben we hetzelfde soort verbeteringen ook gezien bij bijvoorbeeld het selectief kweken van grassen om moderne graanplanten te produceren, maar dit heeft in het geheel niets te maken met het totaalplaatje van evolutie zoals eerder gedefinieerd.

In 2008 maakte Lenski's team bekend dat de bacterie een enorme sprong voorwaarts had gemaakt. De mix waarin zij leven, bevat een chemische stof die citraat wordt genoemd, die E. coli niet kan verteren. Maar 31.500 generaties ver in het experiment begon een van de twaalf populaties zich te voeden met citraat. Dit is vergelijkbaar met mensen die plotseling het vermogen ontwikkelen om boomschors te eten.

Deze vergelijking gaat volledig mank. E. coli was al in staat citraat als energiebron te gebruiken onder anaerobe omstandigheden, zoals besproken in het eerder aangehaalde artikel.

Het citraat was er altijd al, zegt Lenski, "dus alle populaties hebben in zekere zin de mogelijkheid [gehad] om het vermogen te ontwikkelen om dit te gebruiken. Maar slechts een van de twaalf populaties heeft een manier gevonden om dit te doen."
Op dit punt bleek de gewoonte van Lenski om regelmatig proefmonsters van de bacterie in te vriezen cruciaal. Hij had de mogelijkheid eerdere proefmonsters door te nemen en de veranderingen na te gaan die geleid hadden tot het eten van citraat door E. coli.
Hiervoor moest hij onder de motorkap kijken. Hij gebruikte een middel dat in de tijd van Darwin niet beschikbaar was, maar dat ons begrip van evolutie als geheel radicaal heeft veranderd: genetica.
Alle levende wezens bevatten genen, in de vorm van DNA.
Genen reguleren hoe een organisme groeit en ontwikkelt en ze worden door ouder aan nageslacht doorgegeven. Als een hen veel eieren legt en die eigenschap doorgeeft aan haar nageslacht, doet ze dat door middel van haar genen.

Dit zijn onomstreden feiten.

Gedurende de afgelopen eeuwen hebben wetenschappers de genen van verschillende soorten gecatalogiseerd. Het blijkt dat alle levende wezens op dezelfde wijze informatie in hun DNA opslaan; ze gebruiken allemaal dezelfde "genetische code".
Verder hebben organismen ook veel dezelfde genen. Duizenden genen die gevonden worden in menselijk DNA kunnen ook worden gevonden in het DNA van andere wezens, waaronder planten en zelfs bacteriën.

Het kan wel zo zijn dat organismen in de meerderheid van de gevallen dezelfde genen hebben, maar dat betekent niet dat het kopiëren van genen en ze laten evolueren nieuwe informatie zal opleveren. Net zoals het kopiëren van een pagina uit een boek geen 'nieuwe informatie' oplevert, net zomin als het kopiëren en het op een andere pagina in het boek plakken ervan dat doet, wat ook bijna zeker zal resulteren in onzin, aangezien het nergens op slaat in een ander deel van het boek. Hetzelfde geldt voor het herschikken van de pagina's in een boek.

Deze twee feiten impliceren dat al het moderne leven afstamt van een enkele gemeenschappelijke voorouder, de "laatste universele voorouder", die miljarden jaren geleden leefde.

Dit is alleen waar als men het alternatief van Eén Schepper uitsluit. Het feit dat al het leven dezelfde planeet deelt en dat niet-verwante soorten veel biologische systemen gemeen hebben die passen bij een bepaalde omgeving, betekent dat creationisten veel overeenkomsten zouden verwachten in het DNA van niet-verwante soorten. Chimpansees hebben meer biologische overeenkomsten met mensen dan met vissen, dus we zouden verwachten dat we veel meer overeenkomsten vinden tussen het DNA van chimpansees en mensen dan tussen vissen en mensen, maar dat betekent niet dat er verwant zijn aan chimpansees door gemeenschappelijke afstamming – of dat mensen 'geavanceerde' chimpansees zijn. Wat er werkelijk toe doet, zijn de genetische verschillen – zie hier – en creationisten blijven erbij dat deze sterk wijzen op afzonderlijk geschapen soorten. Bovendien is het onnodig om zich te beroepen op miljarden jaren, wat slechts een geloofsuiting is. Dit artikel bespreekt de bewering dat gemeenschappelijk ontwerp duidt op gemeenschappelijke afstamming verder.

Door te vergelijken hoeveel genen organismen overeenkomstig hebben, kunnen we uitpuzzelen hoe ze gerelateerd zijn. Mensen delen bijvoorbeeld meer genen met apen als chimpansees en gorilla's dan met andere dieren, wel 96 procent. Dat suggereert dat zij onze naaste verwanten zijn.

Mensen hebben voor 50 procent dezelfde genen als bananen, maar dat betekent niet dat we verwant zijn aan bananen. En, zoals professor Jones behulpzaam aangaf, maakt dit bananen niet half mens, of mensen half banaan. 4 Onder dezelfde voorwaarden maakt het delen van genen met mensapen ons geen apen. Het feitelijke getal is discutabel, aangezien het ook afhangt van wat er wordt gemeten, en is gedaald tot zelfs slechts 87 procent – zie hier. Het erg hoge getal van Baraniuk geeft duidelijk zijn evolutionaire vooringenomenheid aan; hij probeert duidelijk zoveel mogelijk aan te dringen op hoe naast we (naar men beweert) verwant zijn aan chimpansees.

“Probeer dat maar eens op een andere manier te verklaren dan het feit dat deze soorten verwantschap gebaseerd zijn op een opeenvolgende reeks veranderingen gedurende de tijd,” zegt Chris Stringer van het Natural History Museum in Londen. “We delen een gemeenschappelijke voorouder met de chimpansees en wij en zij zijn sindsdien uiteengegaan vanaf die gemeenschappelijke voorouder.”

Zoals hierboven aangetoond is er een andere verklaring, ontwerp door een Schepper, maar Stringer heeft dit uitgesloten, op basis van geloof bewerend dat chimpansees onze familieleden zijn en dat we een gemeenschappelijke voorouder hebben (waarvoor geen greintje bewijs is). Alle mensen, over de gehele wereld, delen gemeenschappelijke afkomst van de op bovennatuurlijke wijze gecreëerde Adam en Eva – zie hier en hier. We delen geen gemeenschappelijke afkomst met enige andere dieren (of planten of bacteriën, overigens).

We kunnen de genetica ook gebruiken om de details van evolutionaire veranderingen op te sporen.

Veranderingen, niet evolutionaire veranderingen – dit is het aannemen van de waarheid van evolutie voordat zich men ook maar met het bewijs heeft ingelaten; het is ook schaamteloos circulair redeneren.

“Je kunt verschillende soorten bacteriën vergelijken en de genen vinden die ze delen,” zegt Nancy Moran op de University of Texas in Austin. “Zodra je deze genen herkent… kun je bekijken hoe ze geëvolueerd zijn in verschillende soorten populaties.”
7915-mutational-meltdown-2
Mutaties betekenen dat mensen afkoersen op uitsterving, samen met alle andere organismen.

Dit is eenvoudigweg meer bewijs voor een gemeenschappelijke ontwerper en gemeenschappelijke functionaliteit. Nogmaals, het is alleen bewijs voor gemeenschappelijke afkomst, en dus evolutie, als deze al bij voorbaat wordt aangenomen. Veranderingen binnen bacteriënpopulaties (waarin bacteriën uiteindelijk bacteriën blijven) vormen in elk geval geen bewijs voor evolutie van bacterie tot bioloog.

Toen Lenski zijn E. coli proefmonsters weer doornam, ontdekte hij dat de citraatetende bacteriën verschillende veranderingen in hun DNA hadden ondergaan die andere bacteriën niet hadden ondergaan. Deze veranderingen worden mutaties genoemd.
Sommige daarvan waren lang voordat de bacteriën hun nieuwe vermogen ontwikkelden opgetreden. “Op zichzelf voorzagen [deze mutaties] niet in de mogelijkheid om op citraat te teren, maar maakten ze de weg vrij voor volgende mutaties die vervolgens in dat vermogen voorzagen,” zegt Lenski.
Deze complexe aaneenschakeling van gebeurtenissen helpt ons te begrijpen waarom slechts één populatie het vermogen evolueerde.
Het illustreert ook een belangrijk aspect van evolutie. Een bepaalde evolutionaire stap kan extreem onwaarschijnlijk lijken, maar als er genoeg organismen toe worden gedreven hem te zetten, zal een van hen dat waarschijnlijk doen – en er is er maar één nodig.

Dit is meer evolutionaire bluf. Er is geen greintje bewijs in Lenski's experimenten voor een echte toename van informatie in het genoom van bacteriën, en waarvoor evolutionisten simpelweg geen bewijs kunnen leveren – zie Richard Dawkins hier en Stond Dawkins voor een raadsel? Daarenboven is er geen wetenschappelijke basis voor de bewering dat organismen 'ertoe worden gedreven' een 'evolutionaire stap te zetten'.

Lenski’s E. coli laten ons zien dat evolutie organismen fundamenteel nieuwe vermogens kan geven. Maar evolutie maakt dingen niet altijd beter. De effecten ervan zijn, in elk geval in onze ogen, nogal willekeurig.
De mutaties die leiden tot veranderingen in een organisme zijn zelden een verbetering, zegt Moran. In feite hebben de meeste mutaties geen invloed, of negatieve invloed, op de manier waarop een organisme functioneert.

‘Evolutie kan organismen fundamenteel nieuwe vermogens geven’? Er is geen bewijs geleverd voor deze gewaagde bewering. Door mutaties teweeggebrachte veranderingen ‘zijn zelden een verbetering’? Absoluut. Dus, om een analogie te gebruiken, als een handelaar gemiddeld een nettoverlies draait van € 1,- per dag, gedurende een tijdsperiode die lang genoeg is, zal dat leiden tot een zeker faillissement, geen voorspoed. Waarom geven evolutionisten het ontstellend voor de hand liggende niet toe? Zelfs als een incidentele mutatie toevallig een voordelig gevolg krijgt, zal deze in aantal overtroffen worden door veel meer mutaties, zoals Moran zelf toegeeft, die ofwel geen invloed hebben, ofwel negatieve invloed hebben. Volgende generaties zullen deze trend op precies dezelfde wijze voortzetten, en geheel tegenovergesteld aan wat door evolutie voorspeld wordt – zie De evolutietrein rijdt in de verkeerde richting en Genetische entropie en eenvoudige organismen.

Wanneer bacteriën opgesloten worden in geïsoleerde omgevingen, doen ze soms ongewenste genetische mutaties op die direct worden doorgegeven aan elke generatie. Na verloop van tijd belemmert dit geleidelijk aan de soort.
“Het laat echt het evolutieproces zien,” zegt Moran. “Het is niet alleen maar aanpassing en dingen die beter worden, er is ook een grote kans dat dingen slechter worden.”
Daarbij komt dat organismen soms vermogens verliezen. Dieren die in donkere grotten leven, verliezen bijvoorbeeld vaak hun ogen.

Zie dit artikel dat zulke verliezen bespreekt en meer links in de volgende alinea.

Dit lijkt misschien vreemd. We zijn geneigd evolutie te zien als een proces van biologische verbetering, van soorten die verbeteren en minder primitief worden. Maar dit is niet noodzakelijkerwijs wat er gebeurt.

Dit is een stilzwijgende bevestiging dat veel van wat we daadwerkelijk observeren, tegengesteld is aan vermeende voorwaartse en stijgende evolutie en is een nader voorbeeld van lokaastactiek. Dit is simpelweg aanpassing door natuurlijke selectie – geen evolutie – welke voordeel heeft geboden aan individuen in een unieke ecologische niche door verlies van genetische mutatie. Bijvoorbeeld het verlies van vleugels dat voordeel biedt aan gemuteerde kevers op een winderig eiland, omdat er minder de zee op worden geblazen. Als die informatie binnen een populatie eenmaal verloren is gegaan, kan deze nooit worden herwonnen door vermeende evolutionaire processen, laat staan bijdragen aan de evolutie van nieuwe eigenschappen ondersteund door nieuwe genetische codering – zie hier. Maar let erop hoe evolutionisten experimentele resultaten die verband houden met verlies van genetische informatie verkeerd interpreteren en vervolgens ten onrechte geloven dat het bewijs is voor evolutie – zie hier en hier.

Het concept van verbetering kan worden teruggevoerd op een wetenschapper genaamd Jean-Baptiste Lamarck, die het idee dat organismen evolueren promootte voordat Darwin dat deed. Zijn bijdragen waren van essentieel.
Maar anders dan Darwin dacht Lamarck dat organismen beter werden in het leven in hun omgevingen als een bewuste reactie op die omgevingen, alsof ze overerfbaar wilden verbeteren.
Lamarcks theorie zou zeggen dat giraffen lange halzen hebben omdat hun voorouders zich strekten om hoge bomen te bereiken en vervolgens deze nieuw verworven eigenschap doorgaven aan hun nageslacht.
“Darwin schreef privé over Lamarck en zei dat zijn theorie complete onzin is, het is niet testbaar,” zegt Jones. “Hoe bedoelt hij dat ze wilden verbeteren? Hoe moet je dat testen?”

Creationisten delen soortgelijke opvattingen over naturalistische evolutie. Er is hier sprake van een opvallende ironie wat betreft de minachting van Darwin (en andere evolutionisten) van het gebrek aan testbaarheid van Lamarcks idee. Hetzelfde geldt voor de meeste van hun eigen speculatieve ideeën.

Darwin had een alternatieve theorie: natuurlijke selectie. Deze biedt een totaal andere verklaring voor de lange hals van de giraffe.

Maar natuurlijke selectie kan slechts selecteren uit reeds bestaande informatie, of deze uitschiften, door genen aan of uit te zetten, of ze geheel te verwijderen. Nogmaals, evolutionisten moeten nog altijd demonstreren dat het nieuwe informatie kan creëren – zie hier.

Stelt u zich de voorouder van de moderne giraffe voor, iets dat een beetje lijkt op een hert of een antilope. Als er veel hoge bomen zouden zijn waar dit dier leefde, zouden de dieren met de langste halzen meer voedsel krijgen en het beter doen dan die met kortere halzen.
Na een paar generaties zouden alle dieren iets langere halzen hebben dan hun voorouders hadden. Nogmaals, die met de langste zou het beste gedijen, dus na vele jaren zouden giraffenhalzen geleidelijk aan langer worden, omdat die met korte halzen geneigd zouden zijn geen nageslacht voort te brengen.

Dus het allel (gen) dat kortere halzen produceert, zou uiteindelijk verloren kunnen gaan voor de populatie, om nooit meer herwonnen te worden. In dit hypothetische voorbeeld heeft natuurlijke selectie de populatie teruggebracht tot alleen die giraffen die het gen dragen voor langere halzen, dus de gemiddelde lengte van de giraffenhalzen is toegenomen in vergelijking met de originele populatie. Maar er zijn grenzen aan hoever dit proces kan gaan. En de dieren zijn, en zullen dat altijd zijn, 100 procent giraffen.

De mutaties die aan dit alles ten grondslag liggen gebeurden toevallig en hadden net zo goed korte halzen kunnen produceren als lange halzen. Maar deze korte-hals-mutaties hadden niet de neiging blijvend te zijn.

Dus, volgens dit verzonnen voorbeeld, is er informatie verloren gegaan.

Dieren als giraffen zijn zo opvallend omdat ze zo perfect aangepast blijken. Ze leven in gebieden waar de bomen hoog zijn en alleen bladeren hoog boven de grond hebben, dus natuurlijk hebben ze lange halzen om deze te bereiken.
“Dit soort beelden zorgt er eigenlijk voor dat mensen in de war raken,” zegt Moran. Maar als je grondiger kijkt, is dit het resultaat van een lange aaneenschakeling van kleine veranderingen. “Je realiseert je, oh, het is niet ontworpen, het is eigenlijk één vreemde gebeurtenis die zich verspreid zou kunnen hebben en die geleid heeft tot een andere vreemde gebeurtenis.”

De lange hals van de giraffe en andere eigenschappen zijn ontworpen. Niettemin omvat ontwerp de ingebouwde flexibiliteit van organismen om zich 'te verspreiden' en beter aangepast te raken aan een variëteit aan omgevingen door natuurlijke selectie. Evolutionisten zijn gedwongen het nogal duidelijke bewijs voor ontwerp te ontkennen dat onontkoombare proporties heeft aangenomen ('de keizer draagt geen kleren'), omdat ontwerp een ontwerper impliceert. In plaats daarvan stellen ze, door middel van fantasievolle bluf, ongeleide naturalistische krachten voor – evolutie – als leidende kracht achter de indruk van ontwerp, wat werkelijk neerkomt op dubbelzinnigheid.

Nu hebben we alle stukken bewijs die ons, samengenomen, laten zien dat het leven geëvolueerd is.

Hebben we dit overtuigende bewijs op de een of andere manier gemist? Veel beter geïnformeerde evolutionisten zijn zo onovertuigd geraakt van het bewijs dat ze creationisten zijn geworden. De wereldberoemde plantengeneticus dr. John Sanford is een van de vele mensen voor wie dit geldt – zie hier, of een ander voorbeeld hier.

Afkomst met aanpassing, welke veroorzaakt wordt door willekeurige mutaties in de genen, leidt uiteindelijk tot graduele veranderingen en de vorming van nieuwe soorten – veel ervan gedreven door natuurlijke selectie, welke die organismen wegzuivert die minder geschikt zijn voor hun omgevingen.

Absoluut, ‘wegzuiveren’ is de doeltreffende term. Het totaalproces wordt gekenmerkt door verlies van informatie, niet door toename ervan, dus evolutie gebeurt niet zoals evolutionisten beweren; geen toenemende complexiteit, maar afnemende. En er blijft absoluut geen bewijs over dat ‘nieuwe soorten’, of hoe we de term ook mogen definiëren, synoniem is aan nieuwe genetische informatie.

Laten we dit alles tenslotte op onszelf toepassen.
De menselijke evolutie is voor sommigen altijd een concept geweest dat moeilijk verteerbaar is, maar valt nu onmogelijk te ontkennen, zegt Stringer.

Evolutie is de enige optie voor degenen die materialisme rigide onderschrijven. Voor geïnformeerde creationisten ondersteunt het bewijs deze positie eenvoudigweg niet, maar wijst het op een bovennatuurlijke Ontwerper – iets dat veel evolutionisten niet in overweging zullen nemen, zie de bekentenis van Richard Lewontin hier.

Men denkt dat de Homo sapiens in Afrika is geëvolueerd alvorens zich over de hele wereld te verspreiden.
Het fossielenbestand laat een geleidelijke verandering zien van aapachtige dieren die op vier poten liepen naar tweebenige wezens die langzamerhand grotere hersenen ontwikkelden.

Hier is sprake van een aanzienlijke hoeveelheid wensdenken waarvoor geen overtuigend bewijs is. Het beeld van aapachtige wezens die zich in progressieve stappen tot een 'moderne' Kaukasische mens ontwikkelen, is ongetwijfeld het meest iconische beeld van evolutie. Hoewel het bekend is dat het onjuiste en frauduleuze formatie bevat – zie hier –, om racistische ondertonen maar niet te noemen, houdt het nog steeds stand als de belichaming van evolutionaire plaatjes in veel schoolboeken. Want dat is het ultieme idealistische doel van veel diepgewortelde evolutionisten; om ervan te overtuigen dat we echt niet meer zijn dan geavanceerde dieren, niet waardige mensen die ‘naar Gods beeld geschapen zijn’ (Gen. 1:27) en aan wie we, daarom, uiteindelijk verantwoording moeten afleggen. Wat betreft het fossielenbestand, zie dit artikel voor een kort overzicht van de bekendere ontbrekende tussenschakels tussen aap en mens, waarvan elk de tand des tijds niet heeft doorstaan. Ongetwijfeld zullen nieuwe ‘vondsten’ toekomstige aandachttrekkende krantenkoppen voeden, maar zie Niet weer een (gaap) ‘aapmens’.

De eerste mensen die Afrika verlieten, kruisten onderling met andere mensachtige soorten, zoals de Neanderthalers. Als gevolg daarvan dragen mensen van Europese en Aziatische afkomst Neanderthalergenen in hun DNA, maar mensen van Afrikaanse afkomst niet.

Neanderthalers, waarvan evolutionisten eens geloofden dat het ‘aapmensen’ of submensen waren, zijn door genetische wetenschap bewezen volledig menselijk. Hun onderscheidende karaktertrekken en gelaatstrekken zijn in essentie niet meer verschillend van mensen die vandaag de dag leven, dan dat mensen in het Verre Oosten verschillen van mensen in Afrika of Europa. Door onderlinge kruising zijn hun onderscheidende eigenschappen verwaterd. Adam zal genoeg genetische diversiteit hebben meegedragen om alle genetische diversiteit te verantwoorden die over de mensheid van vandaag de dag en de Neanderthalers uit het verleden verspreid is – zie hier.

Dit gebeurde allemaal duizenden jaren geleden, maar het verhaal is niet voorbij. We evolueren nog steeds.

Zo beweren goo-to-you-evolutionisten; inderdaad een ‘verhaal’. Geobserveerde veranderingen in mensen kwalificeren niet als evolutie zoals eerder in dit artikel gedefinieerd, het Grotere Plaatje-soort dat chimpansees en onszelf verbindt.

In de jaren vijftig bijvoorbeeld, bestudeerde een Britse doctor met de naam Anthony Allison een genetische afwijking die sikkelcelanemie wordt genoemd, welke vaak voorkomt binnen sommige Afrikaanse bevolkingsgroepen. Mensen met de afwijking hebben misvormde rode bloedcellen, die niet zo goed zuurstof door het lichaam vervoeren als had gekund.

Een voorbeeld van celbeschadiging veroorzaakt door een mutatie, die een aantasting/verlies van bestaande informatie weergeeft.

Allison ontdekte dat de Oost-Afrikaanse bevolkingsgroepen waren verdeeld in groepen mensen die in de laaglanden leefden, die vatbaar waren voor de ziekte, en mensen die in de hooglanden leefden, die dat niet waren.
Het bleek dat de mensen die de sikkelceleigenschap met zich meedroegen een onverwacht voordeel hadden. Het beschermde ze tegen malaria, wat alleen een echte bedreiging vormde in de laaglanden. Voor deze mensen was het waardevol de sikkelcelmutatie met zich mee te dragen, zelfs als hun kinderen anemisch zouden kunnen zijn.

Merk het compromis op: misvormde cellen, het resultaat van verlies van genetische informatie die, hoewel deze een incidenteel voordeel met zich meebrengt, heeft geresulteerd in een onvoordelige eigenschap binnen de bevolkingsgroep, de grotere waarschijnlijkheid om anemisch te raken. Er is geen netto toename van genetische informatie, zoals Baraniuk suggereert. De verbinding van sikkelcelanemie aan evolutie is grondig weerlegd – zie hier en hier, en verder commentaar hieronder.

Ter vergelijking, de mensen die in het hoogland leefden, liepen geen risico op malaria. Dat betekende dat het geen voordeel bood om de sikkelceleigenschap mee te dragen, dus de normaal gesproken schadelijke natuur ervan hield in dat deze verdween.

Natuurlijke selectie aan het werk, maar geen evolutie. Wereldautoriteit op het gebied van sikkelcelanemie dr. Felix Konotey-Ahulu heeft geen tijd voor dit wanhoopsvoorbeeld van evolutie.

Uiteraard zijn er nog allerlei soorten vragen over evolutie die we nog steeds niet beantwoord hebben.

Maar wellicht is het meest veelbetekenende dat evolutionisten niet in staat zijn te voorzien in fundamenteel definitief bewijs voor een spontane toename van informatie in het genoom van een levende soort. Bovendien, als, zoals evolutionisten constant papegaaien, ‘evolutie overal om ons heen gebeurt’, zou het een vrij eenvoudige zaak moeten zijn om te voorzien in overvloedig bewijs hiervoor. Anders blijft het met evolutie (zoals eerder gezegd) zo dat ‘er geen enkele beweging in zit’ – een door ideologie gedreven theorie met niet slechts één, maar talrijke fatale zwakheden.

Stringer biedt een eenvoudige: wat was de genetische verandering die ervoor zorgde dat mensen rechtop konden lopen, en waarom was die mutatie zo succesvol? Op dit moment weten we het niet, maar met meer fossielen en betere genetica, misschien op een dag wel.

Of, waarschijnlijker, zal dit nooit beantwoord worden, omdat het zo niet gegaan is. God heeft mensen als een aparte ‘soort’ geschapen (zie 1 Kor. 15:39) en er blijft hard bewijs ontbreken dat de mens ooit geëvolueerd is van apen, of enige andere soort.

Wat we wel weten, is dat evolutie een feit van de natuur is. Het is de basis voor het leven op aarde zoals we dat kennen.

Volgens het evolutionaire paradigma geloven veel mensen dat het een feit is. Het verenigde geloof dat leven spontaan ontstaan is uit niet-leven op natuurlijke wijze blijft echter volkomen ongegrond – zie hier. En zoals gedurende deze verhandeling betoogd is er ook geen bewijs voor ‘opwaartse’ evolutie (van microbe tot microbioloog). In feite is, nu de wetenschappelijke kennis erop vooruitgegaan is, deze er opmerkelijk genoeg niet in geslaagd om te voorzien in het bewijs dat eerdere evolutionisten voorspelden; derhalve hebben evolutionisten hun toevlucht steeds meer gezocht tot ad hoc verklaringen (‘just-so’ verhalen) om de theorie te behouden, daarmee pogend deze onfalsifieerbaar te maken – zie hier.

Dus als je de volgende keer op stap bent, of het nu in je tuin is of op een boerderij of gewoon wandelend langs de weg, bekijk dan de dieren en planten om je heen en denk eraan hoe ze er allemaal gekomen zijn.

En bedank hun Schepper, en de jouwe, God.

Elk van de organismen die je ziet, of het nu een klein insect is of een enorm grote olifant, is het laatste lid van een zeer oude familie. Hun voorouders gaan in een ononderbroken lijn meer dan drie miljard jaar terug, tot de dageraad van het leven zelf. De jouwe ook.

Mensen zullen geloven wat ze geloven. Goede wetenschappers bestuderen alle feiten voordat ze hun conclusies trekken. Ofwel de schepping heeft zichzelf geschapen (evolutie) door tot op heden niet vastgestelde – laat staan bewezen – naturalistische processen, zoals deze weerlegging heeft geprobeerd aan te tonen, of hij is vol van kenmerken die we redelijkerwijs zouden kunnen verwachten te vinden als hij was gemaakt door een intelligente, almachtige Schepper (Bijbelse schepping). Beslis zelf.

Referenties en notities

  1. Baraniuk, C., How do we know that evolution is really happening? www.bbc.com/earth/story/20150803-how-do-we-know-evolution-is-real, bekeken op 5 augustus 2015. Terug naar de tekst.
  2. Conway Morris, S., Once we were worms, New Scientist 179(2406):34ff, augustus 2003. Terug naar de tekst.
  3. Darwin, C., On the Origin of Species, 1e ed., p. 280, 1859. Terug naar de tekst.
  4. Jones, S., geïnterviewd in het Australian Museum in The Science Show, uitzending op ABC radio, 12 januari 2002, www.abc.net.au/radionational/programs/scienceshow/almost-like-a-whale/3504048, 13 februari 2012.Terug naar de tekst.

Helpful Resources

Evolution's Achilles' Heels
by Nine Ph.D. scientists
US $17.00
Soft Cover
Evolution Impossible
by Dr John F Ashton
US $14.00
Soft Cover
Evolution Impossible
by Dr John F Ashton
US $10.00
Kindle (.mobi)
Evolution Impossible
by Dr John F Ashton
US $10.00
eReader (.epub)
Busting Myths
by J Sarfati & G Bates, edited
US $17.00
Soft Cover